Rond het achtste jaar verschijnt er in de winkel ineens een seniorvariant van het voer dat je al gaf. Vaak is dat vooral een ander etiket: minder vet, wat meer vezels, soms een schepje glucosamine. Voor een oudere hond die gezond is en op gewicht, is dat geen noodzaak. Wat er wél verandert is hoeveel hij verbrandt, en dat vraagt om de weegschaal en niet om een nieuw merk.
Waar je op let
- Eiwit op peil houden. Het hardnekkigste misverstand is dat een oude hond minder eiwit zou moeten krijgen. Voor een hond met gezonde nieren geldt het omgekeerde: voldoende eiwit beschermt de spiermassa die er op leeftijd vanzelf af gaat.
- Een kleinere portie, niet een ander voer. Minder beweging betekent minder calorieën. Weeg af en tel snacks mee in het dagtotaal.
- Weeg elke twee tot drie maanden. Bij een oudere hond is onverklaard afvallen net zo goed een signaal als aankomen.
- Let op het gebit. Laat je hond brokken staan of kauwt hij scheef, dan zit het probleem vaak in zijn bek en niet in zijn voer.
Wat je niet nodig hebt
Een nierdieet "voor de zekerheid" is geen voorzorg maar een beperking, en hoort pas thuis als er iets is vastgesteld in het bloed of de urine. Hetzelfde geldt voor gewrichtsvoer: glucosamine en chondroïtine zijn onschuldig, maar het bewijs is mager en ze vervangen geen gewichtsbeheersing. Een hond die een paar kilo lichter is, loopt merkbaar makkelijker dan een hond met een supplement.
Wat wél de moeite waard is
Een jaarlijkse controle met bloedonderzoek vanaf een jaar of acht. Nierziekte, schildklier en gebitsproblemen zijn de drie dingen die op deze leeftijd het vaakst spelen en die je aan de buitenkant pas laat ziet. Komt daar iets uit, dan wordt het voer ineens wél een gerichte keuze, en dan maak je die samen met je dierenarts.